Snoekengracht
geschiedenis
De naam Snoekengracht komt van een leigracht gelegen in het natuurreservaat. Vroeger was dit een paaiplaats voor snoek.
Net voor de tweede wereldoorlog kwam een sterke tendens op gang om trekpaarden te vervangen door vrachtwagens. Dat had gevolgen voor onze valleigebieden, die vanouds hooilanden waren. Hooi was immers het wintervoedsel bij uitstek voor de trekpaarden. De hooilanden zoals de snoekengracht waren te nat voor landbouw of bebouwing. Vooral onder invloed van de luciferindustrie ging men over tot het massaal planten van populieren. Zo verdwenen in veel valleigebieden de hooilanden, en kreeg men een monocultuur van populier in de plaats. Slechts hier en daar bleef een klein oppervlakte in die vallei gevrijwaard van deze vorm van monocultuur. Zo ook het gebied dat we nu kennen als de Snoekengracht. Tot lang na de tweede wereldoorlog waren er in landelijke gemeenten kleinschalige landbouwpraktijken. Zo bleven hier en daar valleigebieden over die werden gehooid en nabegraasd.
Tot in de begin van de jaren zeventig was dat ook het geval te Boutersem. De laatste boer die vaarzen in het gebied zette, had af te rekenen met sterfte van de dieren. Vermoedelijk hadden die gegeten van de wilde liguster die er voorkomt, en giftig is.. In elk geval betekende dat het einde van de begrazing van het gebied en van de hooiproduktie vanuit landbouwstandpunt. Gedurende enkele jaren lag het gebied toen braak en het verruigde snel.
In 1975 werd door de Regionale Vereniging Natuur en Landschap een akkoord gesloten met de eigenaar om een gebied van ongeveer 4 ha als hooiland te beheren. Dat leidde tot de eerste maaibeurt in de zomer van 1976. Doel van dit beheer was om het gebied als nat hooiland te bewaren omwille van zijn rijkdom aan planten en dieren en om te voorkomen dat het gebied vol populieren zou komen te staan. Een deel van de vallei was ondertussen reeds spontaan geëvolueerd tot een elzenbroekbos. Het beheer was er ook op gericht om de kleinschaligheid van de hooilanden te bewaren. Kleinen percelen, werden afgezet met knotwilgenpalen voor de bevestiging van de draadafsluiting. De palen welke nu zijn uitgeroeid tot knot werden behouden. De afrastering zelf werd opgeruimd.

op de foto zien we de knotwilgen dit waren vroeger de weidepalen om de kleine perceeltjes af te bakenen.
waterhuishouding
Buiten de Snoekengracht lopen ook nog de Velpe, en de Grote Vondelbeek door het natuurreservaat. Iets buiten het natuurreservaat de Snoekengracht komt de Kleine Vondelbeek in de Velpe.
De Snoekengracht is een leigracht welke ontspringt in het reservaat en uitmondt in de Grote Vondelbeek ten noorden van het reservaat tegen de spoorweg.
Het water in de Snoekengracht is kwelwater dat afkomstig is van hoger gelegen gebieden, het dringt daar de grond in en wordt via een watervoerende laag, de Formatie van Brussel naar lager gelegen gebieden getransporteerd, waar het terug boven het maaiveld komt.
De Velpe meandert dwars door de Snoekengracht, deze beek maakt deel uit van het demerbekken. De Velpe ontspringt in de omgeving van Opvelp en mondt 37km verder uit in de Demer te Halen. Hij vormt als het ware de ruggegraat van het natuurreservaat en via de Velpevallei staat het gebied in verbinding met andere waardevolle gebieden in dezelfde vallei.
De Grote Vondelbeek stroomt in het oostelijke gedeelte van de Snoekengracht. In het noordelijke gedeelte mondt de Snoekengracht hier in uit. Daarna gaat de Vondelbeek onder de spoorweg en komt zo in de Velpe terechtkomt.
De evolutie van de grondwaterstanden in de Snoekengracht worden systematisch opgemeten. Het peilbuizennetwerk (piëzometers) telt momenteel 78 buizen welke maandelijks worden opgemeten. De resultaten van deze opmetingen zijn beschikbaar in het instituut voor natuurbehoud. (dov.vlaanderen.be)
In 1997 is er een scriptie voorgedragen over het grondwater in de Snoekengracht. Aan de hand van deze studie kan men de volgende conclusies trekken.
1) Zonder uitzondering komen de kwelzones voor in valleien. Er werden 2 klassen onderscheiden. Een eerste klasse met een stijghoogte minder dan 0,2 m boven maaiveld en een tweede met een stijghoogte van meer dan 0,2 m boven maaiveld. De eerste komt vrijwel in heel de vallei voor(natte valleigronden). De tweede is beperkter in omvang en is verdeeld over 4 zones. De Snoekengracht is één van deze 4 zones
2) Het infiltratiegebied van het grondwater dat ter hoogte van de Snoekengracht aan de oppervlakte komt. Tijdens de studie werden er twee infiltratiegebieden gedecteerd. Het grootste infiltratiegebied bevindt zich ten oosten van de Snoekengracht. Het is een 700 ha groot en de stroomtijden van infiltratie tot kwel variëren van 30 tot 100 jaar. Het tweede infiltratiegebied bevindt zich ten westen van de Snoekengracht. Het is zeer smal en langgerekt en is slechts 40 ha groot. Het voedt voornamelijk de kwelzone ten noorden van de Velpe. Hier variëren de stroomtijden van 20 tot 70 jaar.
Uit de studie kunnen we opmaken dat er geen noemenswaardige invloed is van de Velpe en het daarin aanwezige water op de kwelzones in de Snoekengracht. Van de afwateringsgracht (riool), stromende vanuit de Roosbeekstraat, dicht bij de bron, is er door de hoge infiltratiedruk van kwel praktisch geen invloed op de kwaliteit van het bronwater. We mogen dus besluiten dat het kwelwater in de Snoekengracht van een behoorlijke kwaliteit is